De woningbouw bouwt voor een particuliere markt van huurders en kopers (circa 65%) en een sociale (gesubsidieerde) woningmarkt 35% (woningcorporaties).
Door de stagnatie en verhuurdersheffing sociale huur in de woningbouw is het aandeel sociale huur flink afgenomen. In zowel de particuliere als sociale woningmarkt zijn er woningtekorten.
Gemeenten nemen in woningbouw convenanten met woningcorporaties op hoeveel sociale woningbouw in een woningbouwproject gerealiseerd moet worden. Ook maken gemeenten afspraken over de verduurzamingsopgave en energiebesparingsopgave van de nieuw te bouwen of te renoveren woningen.
Sociale woningbouw gaat vaak gepaard met energie armoede. Doel van sociale woningbouw is het voorzien van woningen voor de lage inkomens die geen woning kunnen financieren op de vrije markt. Veel van deze woningen zijn gebouwd in de jaren ’50, ’60 in de tijd van de wederopbouw. Deze woningen komen als eerste aanbod voor sloop nieuwbouw. Ook zijn deze woningen makkelijker om op grote schaal te verduurzamen omdat de woningcorporatie optreedt als 1 eigenaar. In buurten en wijken is het eigenaarschap vaak versnipperd. Dit maakt het op grote schaal verduurzamen van woningen minder eenvoudig.