Stikstofcrisis, beperkte bouwruimte

In 2020 bracht Remkes het rapport ‘niet alles, kan overal’ uit. Een rapport over de structurele aanpak stikstofproblematiek.

https://open.overheid.nl/documenten/ronl-e1d98609-6f59-4245-8758-ec00da553db5/pdf

Bouwsector

De situatie van de bouw wijkt af van alle andere sectoren die emissie van stikstof veroorzaken. De bouw is hard geraakt door de uitspraak van de Raad van State waarin het PAS als basis voor vergunningverlening is vernietigd. Na deze uitspraak is de vergunningverlening in zowel de woning – als de utiliteitsbouw, als de grond- weg- en waterbouw (GWW) vrijwel geheel stil komen te liggen. Het ontbreken van ‘stikstofruimte’ is de grote bottleneck voor het opstarten van de vergunningverlening. Niet altijd inhoudelijk onderbouwd, heeft de onzekerheid bij vergunningverleners geleid tot een grote terugval in de opdrachtverlening. De PFAS -problematiek en nu de coronacrisis verergeren de problemen voor de bouwsector. Tot op heden is er geen andere sector waarop de stikstofproblematiek zo’n directe impact heeft. Dit is het gevolg van het feit dat een bouwbedrijf, in tegenstelling tot een energiebedrijf of de industrie, geen vergunning heeft voor het uitvoeren van activiteiten en daarmee niet beschikt over ‘jaarlijkse stikstofruimte’. Doordat de Raad van State het PAS als grondslag voor toestemmingverlening heeft vernietigd, is er voor ‘nieuwe’ activiteiten die stikstofemissies veroorzaken geen ruimte

Daardoor is vooral de bouw in de knel gekomen . De reden daarvoor is dat de bouw als enige sector geen ‘bedrijfsvergunning’ heeft voor bestaande activiteiten. Met andere woorden, voor bedrijven in de industriële sector geldt dat zij jaarlijks een vergunde stikstoflast kunnen veroorzaken, terwijl een bouwbedrijf voor vrijwel alle activiteiten afhankelijk is van specifieke projectbeoordelingen en vergunningen. Dit is de achilleshiel van de sector. De werkvoorraad van opdrachten in de bouw varieert tussen 6 en 9 maanden: een lange periode zonder nieuwe opdrachten betekent dat de klap in de sector thans voelbaar wordt.
Tegelijkertijd is er het besef dat de bouwsector onmisbaar is voor de uitvoering van projecten die een
belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herstel van de economie de komende jaren. Door het versnellen en naar voren halen van geplande en gewenste activiteiten kan het ‘anticyclisch investeringsbeleid’ van de overheid bijdragen aan behoud van werkgelegenheid, ondernemingen én
maatschappelijke meerwaarde (woningbouw, waterbouwwerken, infrastructuur). Bovendien liggen er grote opgaven voor woningbouw en infrastructuur. Het is daarmee urgenter dan ooit dat de problemen
voor de bouw worden aangepakt. Alhoewel de bouwsector maar beperkt bijdraagt aan stikstofemissies, is de bouwsector gemotiveerd een evenwichtige bijdrage te leveren, vanwege de grote consequenties voor de eigen sector.
In het eerste advies ‘Niet alles kan’ heeft het Adviescollege opgenomen dat in de bouw winst te behalen is door modulair, energieneutraal, circulair en natuurinclusief te bouwen. Ook kan beter gebruik worden gemaakt van innovatieve technieken en materialen. Bedrijven die aanleg-, beheer-
en onderhoudswerkzaamheden uitvoeren in Natura 2000-gebieden, moeten worden gestimuleerd om deze werkzaamheden emissiearm uit te voeren. Daarbij is geadviseerd aanbestedingsvoorwaarden en vergunningsvoorwaarden hierop aan te passen, omdat dit een positief effect zal hebben op
duurzame innovaties.
Het Adviescollege richt zich in deze paragraaf over de lange-termijnaanpak voor de bouwsector voornamelijk op de emissies die direct samenhangen met het bouwproces. Dit omvat alle activiteiten die nodig zijn om een bouwwerk te realiseren: aan- en afvoer van bouwmaterialen en sloopafval, transport van werknemers en werktuigen van en naar de bouwplaats en de emissies van werktuigen op de bouwplaatsen (aggregaten, bouwmachines, baggervoertuigen, etc.). De emissies voor mobiele werktuigen zijn door PBL opgenomen bij mobiliteit, maar het Adviescollege kiest er vanwege de inhoudelijke samenhang met andere bouwwerkzaamheden voor om maatregelen voor vervoer van en naar de bouwplaats en met betrekking tot werktuigen voor de bouw in deze paragraaf te bespreken. De emissies als gevolg van de productie van materialen en de emissies van de gebruiksfase van het gebouw worden niet als tijdelijke emissies beschouwd, maar als permanente emissies die een bepaalde depositie tot gevolg hebben. Bij de beoordeling van activiteiten die betrekking hebben op de bouw acht het Adviescollege dit onderscheid relevant. Hierna wordt allereerst de feitelijke situatie in relatie tot de stikstofproblematiek beschreven, om op
basis daarvan te kunnen bepalen wat de bijdrage van de bouwsector kan zijn aan het realiseren van een structurele oplossing van de stikstofproblematiek.

Bijdrage van de bouw aan de totale emissies en depositie in Nederland
Deze paragraaf bevat de beantwoording van de vraag wat het autonome beeld is van de ontwikkeling van emissies uit de bouwsector en wat dit betekent voor de depositie van uit de bouw. Belangrijke notie is dat de gepresenteerde emissiecijfers een sectorale dwarsdoorsnede betreffen die
op aanvraag van het Adviescollege door TNO in kaart is gebracht, om zodoende het beeld voor de bouwsector scherp te stellen. Emissies en deposities voor de bouwsector zijn in de nationale
emissiestatistieken, die worden bijgehouden in de emissieregistratie, deels onderdeel van de sectoren industrie en mobiliteit en dienen niet dubbel geteld te worden.

Emissies
De bijdrage van de bouwsector aan de stikstofstofuitstoot bestaa t voor bouwwerkzaamheden uit de productie van bouwmaterialen, het gebruik van mobiele werktuigen en bouwmaterieel en de bouwlogistiek. De totale bijdrage van de bouwsector aan NOx-emissies bedroeg in 2018 23,4 kton per jaar. Dit is onderverdeeld in 12,9 kton per jaar vanuit de bouwlogistiek38, 6,3 kton per jaar van mobiele werktuigen en bouwmaterieel en 4,2 kton per jaar bouwindustrie-gerelateerd.

Depositie
Deposities vanuit de bouw worden, evenals de emissies, onder verschillende sectoren geregistreerd. Deposities als gevolg van het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwplaats worden meegenomen
in de categorie ‘mobiele werktuigen’. Deze categorie maakt onderdeel uit van de mobiliteitssector. Hetzelfde geldt voor deposities als gevolg van de bouwlogistiek. De bouwmaterialenindustrie en de
winning van delfstoffen vallen onder de depositie van de sector industrie. Overige depositie van de bouwsector (energiegebruik kantoren bouwondernemingen) is ondergebracht in de depositiecijfers van de categorie Handel, Diensten en Overheid (HDO). Deze categorie levert een bijdrage van 0,6% van de totale depositie op stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000 -gebieden. (PBL en RIVM hebben geen sectorale dwarsdoorsnede van depositiecijfers specifiek voor de bouw, afgezien van de 0,6% (energieverbruik bouwkantoren) vallen deze onder de cijfers van mobiliteit en industrie.)

Basispad ontwikkeling emissies
In de tabel hieronder is te zien dat de NOx-emissie in kton per jaar vanuit de bouwsector in het basispad daalt van 23,32 kton per jaar in 2018 naar 16,1 kton per jaar in 2030 (daling van 31%).