Grondkosten

Bouwrijp maken van grond NEN2699

De grondkosten omvatten de verwervingskosten van het gebied of het (de) bouwwerk(en) met bijbehorend(e) terrein(en) en het geschikt maken van het totale gebied (inclusief de infrastructuur) om te kunnen bouwen.

Toelichting


A3 Kosten van infrastructurele voorzieningen, waaronder begrepen de kosten van bouw- en woonrijp maken, zijn de kosten om het gebied geschikt of geschikter te maken voor het volgen van de rechtsgeldige bestemming ten behoeve van de eigenaar en/of gebruiker van het bouwwerk of de bouwwerken en het gebied, die niet zijn gemaakt tijdens het obstakelvrij maken van het gebied, zoals:
a) de kosten respectievelijk de bijdrage in de kosten van openbare voorzieningen, waaronder de civiele en
cultuurtechnische werken die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de op te richten of opgerichte bouwwerken;
b) de kosten verbonden aan tijdelijke maatregelen tijdens de werkzaamheden ten behoeve van infrastructurele voorzieningen.
De kosten van het aanbrengen van infrastructurele voorzieningen kunnen worden onderverdeeld overeenkomstig de indeling van de uitklaptabel:
1) het grondwerk ten behoeve van het verleggen van kabels en leidingen;
2) het nemen van tijdelijke maatregelen of het aanbrengen van voorzieningen die tijdens en ten behoeve van de bouw niet meer hoeven te worden getroffen;
3) het scheppen van de mogelijkheid van aansluiting op openbare nutsvoorzieningen ten behoeve van de bouw.
A3A2 en A3A3
Hieronder vallen tijdelijke voorzieningen zoals bouwwegen voor de ontsluiting van het gebied.
A3B De definitieve bestrating van openbare wegen valt onder ‘verharding’. Het gaat dan om de wegen tussen de individuele terreinen/grondkavels op het gebied.
A3C Het betreft de gebiedsgebonden rioleringen.
A3E Bij dit onderdeel van de tabel moeten alleen de kosten worden opgevoerd. Eventuele baten vallen onder Z2A. In dit geval valt te denken aan:
— De aansluitkosten van het (de) bouwwerk(en).
— De kosten die de nutsbedrijven in rekening brengen voor de infrastructuur tot aan de terreinen/grondkavels.
A3F Hieronder worden begrepen de civieltechnische constructies.
A4A De bovenwijkse voorzieningen betreffen de kosten (veelal op basis van een ‘fonds bovenwijkse voorzieningen’) van voorzieningen die buiten het plan-/exploitatiegebied moeten worden gemaakt, zoals het aanpassen van kruispunten en wegen buiten de plangebiedgrenzen.

B1G Hieronder vallen niet de tot de draagconstructie behorende trappen en hellingbanen. Deze worden meegenomen bij B1B.
B2 De installaties kunnen zich bevinden in het bouwwerk of op het terrein, in beide gevallen geheel of gedeeltelijk ten behoeve van het bouwwerk en/of het terrein.
Ingeval de installaties zowel ten behoeve van het bouwwerk als van het terrein functioneren, ongeacht de plaats waar de installaties zich bevinden, verdient het aanbeveling, indien mogelijk, de kosten hiervan te onderscheiden naar de kosten voor het bouwwerk en voor het terrein.
Terreininstallaties vallen onder ‘terrein’.
B2A t.m. B2H Onder de hier genoemde posten vallen ook de voorzieningen die ten behoeve van de installaties moeten worden getroffen, zoals sparingen, doorvoeren, grondhout, opstortingen enz.
B2B In de praktijk komen in toenemende mate gecombineerde installaties voor (bijvoorbeeld installaties voor verwarming en koeling, plafondinductie-units (voor koeling, verwarming en luchtbehandeling), klimaatplafonds (voor koeling en verwarming) enz.). Dit soort gecombineerde installaties moeten bij het meest relevante onderdeel worden opgevoerd. B2D (Onderstaande figuur is een toelichting op pag. 41)